vrijdag 18 januari 2013

God bewijzen?

"Kunt u bewijzen dat God bestaat? Als u dat niet kunt is het dom om in Hem te geloven en Hem te volgen".

Dezelfde man, met wie ik de discussie had gehad over het bestaan van God, (zie gisteren) stelde mij de vraag later die avond. Ik zei: "U kunt niet bewijzen dat God niet bestaat en ik kan niet bewijzen dat God bestaat. Wij zitten dus in dezelfde boot. Beiden zijn wij gelovige mensen. U gelooft dat God niet bestaat, ik geloof dat God bestaat".

Dat ik hem 'gelovig' noemde beviel hem helemaal niet. Ik vervolgde "Als wij dan beiden ons geloof niet kunnen bewijzen, dan is de vraag wie de beste argumenten heeft. Wij leggen uw argumenten op één kant van de weegschaal en mijn argumenten op de andere kant en we kijken dan naar welke kant de weegschaal doorslaat".

Zijn vrouw kwam naast hem staan. Ik vroeg “Gelooft u dat uw vrouw van u houdt?”. Hij keek zijn vrouw aan. “Dat geloof ik niet, ik weet het!”.
“Kunt u dat bewijzen?”
De man dacht een moment na. “Waarom zou ik moeten bewijzen dat mijn vrouw van mij houdt? Ik ervaar het en iedereen kan het zien”.
“Ja”, antwoordde ik “Ik ervaar dat God bestaat en iedereen die wil kan zien dat Hij er is”.





Morgen: waarom ik in God geloof

donderdag 17 januari 2013

God bestaat niet!


Mijn vrouw en ik waren uitgenodigd voor een verjaardag. Met zo'n twintig mensen zaten wij in een kleine woonkamer. Het was een gezellig geroezemoes. Opeens hoorde ik een donkere mannenstem in de andere hoek uitroepen "God bestaat niet". Ik spitste mijn oren. "Als we dood gaan stoppen ze ons in een gat ... over en sluiten".
"Wat een domheid", zei ik net iets te hard.

"Wie zegt dat ik dom ben", riep de man. Hij stond op. Toen pas zag ik hoe groot hij was. Ineens was iedereen stil.
"Ik heb niet gezegd dat u dom bent", zei ik zacht. "Laat ik het anders formuleren. Hoe kan iemand die intelligent is zoiets zeggen".

De man haalde zijn schouders op en wilde reageren, maar ik was hem voor. "Hoeveel procent van alles wat te weten is begrijpen wij mensen?" Opnieuw haalde de man zijn schouders op. "Ik denk", zei ik "dat we nog niet één procent begrijpen van alles wat er is". De hele kamer volgde ons gesprek. Als bij een tenniswedstrijd gingen de hoofden heen en weer.
"Kan zijn bromde de man".

"Als wij minder dan één procent begrijpen van alles wat er te begrijpen is, dan is het toch mogelijk dat God zich ophoudt in de negenennegentig procent die wij niet begrijpen. Om met zekerheid te kunnen zeggen dat God niet bestaat moeten wij alles van alles weten".

De man keek mij doordringend aan. "Ja maar, u kunt niet bewijzen dat God wel bestaat", bromde hij terwijl hij ging zitten.
"Dat klopt!", zei ik.






Morgen: God bewijzen?

woensdag 16 januari 2013

Waartoe zijn wij op aarde?


Ik ben opgegroeid in een katholiek gezin. Op de lagere school moesten wij de hele catechismus uit het hoofd leren. Dat was een boek vol met geloofsvragen en de daarbij behorende antwoorden. Iedere morgen moesten wij één voor één voor de tafel van de leraar gaan staan, die ons dan een vraag uit de catechismus stelde. Het juist beantwoorden van die vragen was belangrijker dan alle andere vakken en cijfers. Uit het hoofd leren was kennelijk gemakkelijk voor mij. Vaak heb ik op mijn rapport een 10 voor 'geloof’ gehad.

De eerste vraag van die catechismus was: Waartoe zijn wij op aarde? Het antwoord luidde: Wij zijn op aarde om God te dienen en daardoor hier en in het hiernamaals gelukkig te zijn. Nu zo'n zestig jaar later is dat antwoord nog steeds deel van mij.

Petrus schrijft dat God niet wil dat iemand verloren gaat, maar dat allen tot bekering komen (2 Petrus 3:9). Jezus zegt dat Hij gekomen is om ons het leven te geven in overvloed (Johannes 10:10). God wil dat wij behouden worden en Jezus wil dat wij het leven dat Hij ons gegeven heeft genieten. De catechismus had gelijk!


dinsdag 15 januari 2013

Wat is de zin van het leven?

Mijn nieuwe iPhone kan vragen beantwoorden. Je spreekt een vraag in en prompt volgt het antwoord. Ik besloot mijn iPhone (in het Duits) de meest fundamentele vraag van de mensheid te stellen: wat is de zin van het leven?
Prompt kwam het antwoord.
Alles duidt erop dat het CHOCOLADE is.

Ik moest lachen, totdat de trieste waarheid van het antwoord tot mij doordrong. Wij leven in een tijd waarin in de westerse wereld hedonisme tot geloof verheven wordt. Hedonisme is de levensopvatting volgens welke genot en geluk de grootste waarden in het leven zijn. Vol overgave zoeken wij naar de bevrediging van behoeften en lusten. Er is niets mis met chocolade, maar als dat de kern van het leven wordt dan zijn wij armzalige en armoedige mensen.

Paulus zou de vraag naar de zin van het leven anders beantwoord hebben dan mijn iPhone. Hij schreef aan de christenen in Filippi (1:21) "Het leven is mij Christus". Dat geeft een totaal andere inhoud aan het leven. Waar bent u vandaag naar op zoek? Chocolade of Jezus?


maandag 14 januari 2013

Wat zijn 'we' goed!

Gisteren wonnen 'we' maar liefst vijf medailles bij de Europese kampioenschappen schaatsen. De winnaars, die jarenlang keihard gewerkt hebben voor dit resultaat, werden uitvoerig geëerd. Het rood-wit-blauw werd gehesen. Mensen jubelden. Het Wilhelmus klonk. Ik zette de tv keihard. De rillingen liepen over mijn rug. Kippenvel!

Mooi hoor! Maar weet u, eens worden u en ik nog heel anders geëerd. Voor alle christenen ligt een beloning, een kroon, een gouden medaille klaar. De vergankelijke krans die atleten krijgen, is niets vergeleken bij de prijs die ons christenen eens ten deel zal vallen. Eens zullen wij als 'beloning' Jezus mogen ontmoeten. Als wij onze 'wedstrijd' goed beëindigen, zal Hij Zelf ons een kroon op het hoofd zetten.

"Dan zult u wanneer de hoogste Herder (Jezus) verschijnt de krans van de luister ontvangen, die nooit verwelkt." (1 Petrus 5:4)

"Gelukkig is de mens die in de beproeving staande blijft. Want wie de proef doorstaat, ontvangt als lauwerkrans (van Jezus) het leven, zoals God heeft beloofd aan iedereen die Hem liefheeft." (Jakobus 1:12)

"Wees getrouw tot in de dood dan zal Ik (Jezus) u als lauwerkrans het leven geven." (Openbaring 2:10)

"Nu wacht mij de krans van de gerechtigheid die de Heer, de rechtvaardige rechter (Jezus), aan mij zal geven op de grote dag; en niet alleen aan mij, maar aan allen die naar zijn komst hebben uitgezien." (2 Timoteüs 4:8)


Wat een vooruitzicht!

vrijdag 11 januari 2013

Rijkelijk geven


Iemand schreef: Het begrip 'rijkelijk geven' is niet op zijn plaats. God heeft de blijmoedige gever lief. Als je rijk bent, is het heel eenvoudig om veel te geven, maar als je arm bent, dan is dat een heel andere zaak.

Ik kan het daar niet mee eens zijn. In mijn bediening heb ik veel rijke mensen mogen ontmoeten. En wat heb ik ontdekt? Ook zij hebben, net als mensen die arm zijn, moeite om te geven. Het is kennelijk altijd moeilijk om afstand te doen van datgene wat ons toebehoord.

Jezus ging een keer in de tempel tegenover de offerkist zitten om met aandacht te volgen hoe mensen offerden. Het interesseerde Hem kennelijk. Veel rijke mensen gaven veel. Toen zag Hij een arme vrouw die twee koperstukjes in de offerkist wierp. Jezus riep zijn discipelen erbij en prees deze vrouw. Hij zei: Voorwaar, Ik zeg u, deze arme weduwe heeft het meeste in de offerkist geworpen van allen, die er iets in geworpen hebben. Want allen hebben erin geworpen van hun overvloed, maar zij heeft van haar armoede erin geworpen, al wat zij had, haar ganse levensonderhoud.

De opdracht om te geven geldt voor alle christenen: rijk en arm, jong en oud, mensen die van de bijstand leven en zij die in weelde baden. Het geldt ook voor mij. Ik leid een christelijk werk en sta zodoende ook aan de ontvangende kant van 'giften'. Maar ook voor mij geldt de opdracht om te geven. Of beter gezegd: ook ik heb het voorrecht om blijmoedig en rijkelijk te geven voor Zijn dienst!

 

donderdag 10 januari 2013

Gelden tienden nog?


Iemand schreef mij: De opdracht tot het geven van tienden lezen we in de Bijbel in de wet van Mozes. Het gaat hier om een percentage van de oogst en de veestapel. De Israëlieten moesten de tienden geven voor de tempel en de priesterdienst, de Levieten. Geldt deze opdracht nu ook voor de gelovigen in Jezus Christus? Moeten wij ‘tienden’ geven? Als we iets van de wet verplicht stellen, bijvoorbeeld het geven van tienden, horen we alle wetten na te volgen. In het Nieuwe Testament klinkt voortdurend de oproep onszelf niet onder de wet te stellen, maar onder de genade. Jezus Christus, Gods Zoon, heeft ons bevrijd om in vrijheid te leven. We hoeven onszelf geen juk op te leggen

Klopt allemaal!
Toch is deze discussie een beetje overbodig. Waarom? Omdat God ook in het Nieuwe Testament heel duidelijk maakt dat Hij van ons verwacht dat wij rijkelijk geven voor Zijn dienst. Jezus zegt in Mattheus 10:8: “Om niet hebben jullie ontvangen, om niet moeten jullie geven”. En de schrijver van de brief aan de Hebreeën meldt (13:16): “En houd de liefdadigheid en de onderlinge solidariteit in ere, want dat zijn offers waarin God behagen schept”. In het Nieuwe Testament vinden wij meer bijbelgedeelten over geven dan over de wederkomst van Jezus.

Wij leven niet meer onder de wet, maar uit genade. Wij kennen de Verlosser en de Heilige Geest leeft in ons. Reden genoeg om vrijwillig te geven. En wat is dan tien procent na alles wat de Heer voor ons heeft gedaan?